|
Nederland Verleden jaar hebben wij een fietstocht gemaakt van Loon op Zand naar Constanta aan de Zwarte Zee. Dat was onze eerste echte lange afstandstocht in Europa. We hebben toen veel gebruik gemaakt van de omschreven fiets route de "Limes weg". Deze route volgt voor zover mogelijk de noord grens van het Romeinse Rijk. Maar juist in de periode dat wij aan het fietsen waren hebben ze enorme overstromingen gehad langs de Donau en daar liep onze route ook voor een groot deel langs. Zo konden we het stuk op de Servische / Roemeense grens toen niet fietsen. Verder was het voor ons een uitdaging om eens met de fiets de Alpen door te steken. En natuurlijk lokt Istanbul als eindpunt van Europa. Het werd een echte meer landen tocht. We zijn dit keer in het najaar op stap gegaan om niet weer in watersnood door smeltende sneeuw terecht te komen. Bovendien gingen we nu met de zon mee naar het zuiden, en hoopten zo nog even langer van mooi weer te kunnen genieten. We zijn de eerste dag meteen naar het zuiden gefietst. De Leende hei, altijd mooi en nog met bloeiende hei. Waarom gaan we eigenlijk zo ver weg? Hier is het tocht ook mooi? Ons eerste overnachtingadres was een Vekabo camping (kamperen bij de boer) voorbij Roermond. Meteen al een leuk adres. En heel toepasselijk. Een gezellig terrein behorend bij een bloemisterij-kunstatelier. Ze hadden er allemaal naamborden hangen; van Nice en andere plaatsen, "Cortina d'Ampezzo" sprak ons wel aan. "Waarom?" vroeg de campingbeheerder. "Omdat we die kant uit willen fietsen", antwoordde Rinse. "Zal wel", zag je de man denken.
Duitsland Van hieruit naar het Ahrdal. Voor ons ook bekend als loop-gebied. Veel druiven teelt en toeristisch, maar wel gezellig. Bij Sinzig kwamen we bij de Rijn. Het was hier nog opvallend druk met vakantie fietsers. Fietsen wordt steeds populairder in Duitsland dat is duidelijk. Er komen steeds meer fietsroutes en aparte fietspaden.
Bij de Duitse Eck kwamen we twee Nederlanders tegen die op weg waren naar de Bodensee. "Wij willen eigenlijk nog iets verder", hebben we uitgelegd. Het mooiste stuk langs de Rijn is wel bij de Lorelei. Dit is een 132 meter hoge rots waar een de rivier een scherpe maakt en bovendien ook nog erg nauw is en daardoor een gevaarlijke stroming heeft. Berucht bij de scheepvaart wegens de vele ongelukken die hier voor zijn gekomen. Volgens een legende zou boven op de rots een zingende nimf met gouden haren zitten die met haar gezang de schippers afleidde waardoor ze tegen de rots voeren. Het fietspad was hier ook wel even erg nauw. "Het loopt wel door", verzekerde een Duitser ons en dat was ook zo.
Voor Mannheim hebben we aan de Rijn gekampeerd. Je hoorde 's nachts de grote rijnaken voorbij komen met een diep geronk van de motoren vooral als ze tegen de stroming in gingen. Wild kamperen is in Duitsland net als (bijna) overal niet toegestaan. Maar onze ervaring is dat er niets van gezegd wordt als je na zonsondergang de tent opbouw en 's morgens vroeg weer afbreekt. Ten minsten niet als je een plekje vind waar je niemand stoort en dat geen privé terrein of natuurgebied is. Een keer hebben we zelfs midden in een dorpje gestaan. Er was echt niets anders en het was een mooi klein parkje met een pizzeria twee straten verderop. Een honden uitlaatster zwaaide 's morgens vriendelijk naar ons toen ze onze tent zag. Bij Mannheim zijn we de Neckar stroom opwaarts gaan volgen. Ook hier hebben de Duitsers een mooie "Neckar-radweg " uitgezet. Maar ik vond dit stuk toch tegen vallen. Op de kaart lijkt het veel door heuvels te gaan, dat is ook wel zo, maar er waren erg veel fabrieken. Dus niet alleen veel lawaai, maar ook veel stank. Naast het fietspad waren steeds vreemde palen, en verderop steeds putdeksels in het fietspad. Het stonk er ook steeds; geen wonder, ze hebben hier de riool onder het fietspad liggen en je ruikt steeds de ontluchtingspijpen! Helemaal erg vond ik het toen we voorbij een enorme fabriek voor auto onderdelen kwamen. Er was een soort park aangelegd met aan de ene kant de snelweg en aan de andere kant ons rioolfietspad. Als je bij die fabriek werkt moet je ook nog hier recreëren! Je moet wel veel over hebben voor de welvaart! We hebben in Duitsland ook veel slecht weer gehad. Regen en kou. Soms zochten we even een schuilplek maar vaak ook is er niet meteen iets geschikts en rijd je maar door met het idee: "het zal zo wel over gaan". Dan vind je in Duitsland wel echt een beloning. Bijna elk stadje heeft wel een konditorei. Bakkerij met koffiedrink mogelijkheid en met een uitgebreide keuze aan gebak en lekkere broodjes. Maar nog belangrijker: "Milch-cafe"; koffie-verkeerd maar dan een lekker grote bak en goed heet!
Bij Nürtingen hebben we de Neckar verlaten. We steken nu de Swabische Alp door. Mooi heuvelachtig gebied met de eerste klimmetjes tot 800 m. Lekker oefenen voor straks in de Alpen! Hier kwamen we ook bij de waterscheiding tussen Rijn en Donau. De rivieren die we nu gaan volgen komen uit in de Donau en dus uiteindelijk in de Zwarte zee; klinkt goed vonden wij. We komen in het gebied van de thermische geneeskrachtige bronnen. Bad Wörishoven was ons eerste kuuroord. Een verassend druk dorp met allemaal oude mensen (zoals wij) die met handdoekje in de hand naar het badhuis gaan. Luxe hotels, sauna's en parken met zitjes en fonteinen. Ik dacht niet dat het nog bestond maar wel dus en nog druk bezocht ook. Het was inmiddels steeds slechter weer geworden. In begin veel regen maar nu ook echt koud en hagelbuien. We hebben een keer kunnen schuilen in een schuur bij een houtzagerij. Een andere keer hebben we extra lang gepauzeerd in een super luxe gasthof. Dat kon mooi want er was net een groep van 40 wandelaars binnen gekomen. Die moesten allemaal eten, konden wij mooi onopgemerkt blijven zitten, lekker droog en warm. Toen we in Bad Tölz aankwamen was het nog maar 4˚ C en dat begin september. Uiteindelijk zagen we toen kamperen ook niet zitten dus hebben we in een Gasthof overnacht. Dit was echt zo'n kuuroord-gebeuren. Als je in het Gasthof logeerde kreeg je gratis toegang tot het badhuis en sauna.
Wij waren al meer dan blij met een hete douche! Maar de volgende morgen voelden we ons wel een beetje verdwaald aan het ontbijt met onze fiets tenues aan tussen de dames en heren met nette pakken en jasjes.
We kregen een heerlijk uitgebreid ontbijt en geheel hersteld konden we er weer tegenaan. Eerst de Izar stroomopwaarts volgen. Dat was inmiddels een heftige rivier geworden na al die sneeuw en regen. In het Gasthof hadden ze ons al gewaarschuwd: "Kijk maar uit want hier regent het maar in de Alpen ligt al sneeuw."
Bad Tölz ligt op 657 m hoogte. Het was dus voorlopig klimmen naar de Sylvenstersee op 780 meter. Om ons heen de echte bergen van boven de 1000 m. en inderdaad sneeuw op de toppen! Een prachtig gezicht! Onderweg kwamen we nog een groepje Nederlandse wandelaars tegen. "Ja, hoor we zijn boven geweest", vertelde ze, "En we hebben in de sneeuw gelopen". De digitale camera kwam tevoorschijn met de bewijzen. Bij Achenwald kwamen we over de grens Duitsland-Oostenrijk en daarna door klimmen tot 958 m. bij Maurach. We hadden de ons hele dag al verheugd op de afdaling. Klimmen is leuk, maar je doet het immers niet voor niets. Toen we boven waren stond er een pijl met fietsroute apart van de autoweg. Des te beter dachten wij. Maar mis. Het was een super stijl gravel pad! Ik kon er echt niet fietsen, de tassen zijn best zwaar en het gravel rolt weg. Stompzinnig lopen dus! Tegen alle verwachtingen in waren we al om 15.00 uur in het Inndal. "Mooi nog een paar uurtjes doorfietsen, dan kunnen we net voor Innsbruck kamperen", zei Rinse "en morgen vroeg de stad door dan heb je het minste last van de drukte".
Oostenrijk en even door Italië De volgende dag dus vroeg erop uit. Na Innsbruck volgde immers de Brenner pas! De laagste pas van de Alpen maar altijd nog van 574 meter naar 1374 meter, dus 800 meter klimmen. Maar dan wel door een prachtig berggebied. En vooral nu er nog steeds resten verse sneeuw lagen. Het was dan wel bewolkt maar we gingen naar het zuiden ... richting zon.
"Nog even een foto maken bij de Europabrucke", riep ik Rinse toe. Dit is namelijk één van Europa's grootste bouwkundige bezienswaardigheden; een brug van de 820 m. lengte die 190 m. boven de het dal uitreikt. Bij harde wind heeft deze brug een uitzwaaimogelijkheid van maar liefst 20 cm! Ze zijn er zeker aan het werk, dacht ik eerst. Maar opeens leek het net alsof er iemand naar beneden viel, aan een touw wel is waar. Ze waren aan het "bungy-jumpen". Nou zij liever dan ik!
Het laatste stukje van de Brenner was wel echt klimmen: echt steil. In het kleinste verzet voor en achter en dan maar doortrappen. Stukje bij beetje kom je vooruit terwijl de auto's langs je heen schieten.
Maar ... richting zon, dat klopte wel. De Brenner pas is meteen de grens tussen Oostenrijk en Italië en in Italië was het prachtig weer! En dan een afdaling waar je van droomt! We hebben eerst een uitgebreide pauze gehouden om van al die luxe te genieten. Koffie zetten met een lekkere koek van de bakker erbij. Via Bressanone (of in het Duits; Brixen) zijn we stroomopwaarts het dal van de Bienzi (of wel; Bienze) ingegaan. Dit dal loopt recht naar het oosten en sluit als het ware aan op het dal van de Drau, die hier ontspringt en stroomafwaarts verder naar het oosten loopt. Deze hele doorgang is beter bekend als het Pustertal. Dobiaccio (of Toblach), op 1241 meter, is het hoogste punt, nog net in Italië. Bij Arnbach gaan we weer de grens over van Italië terug naar Oostenrijk. En toen stopte Rinse ineens. "Hier is iets niet goed", zei hij en wees naar het stuur. "Er zit nogal wat speling in,"vervolgde hij. Dat klopte wel; het stuur was al voor driekwart doorgescheurd! Dat was niet zo mooi. Maar wonder boven wonder stonden we daar net bij een heuse "bike-service point". Weer zo'n luxe waar je nooit op gerekend hebt. Er zijn er meerdere langs het hele Pustertal, van uitgebreide reparatie werkplaatsen tot simpele hulp posten. Deze was toevallig vlak bij een café dus wij meteen vragen of iemand ons kon helpen. "Jammer," antwoordde de serveerster, " het is vandaag zondag en dan is er niemand,maar wacht maar even". En ze was weer weg. Rinse ging al zoeken in zijn fietstas. "Met twee tent pennen en wat sporttape kan ik het toch repareren", zei hij. Er kwam een meneer uit het café kijken. "Dat wordt niets", zei hij en wees naar de tent pennen, "veel te gevaarlijk". "Alleen maar naar Lienz 30 km. verderop", antwoordde Rinse. "Onverantwoord", hield hij vol, "wacht maar". En ook hij was weg. Maar even later kwam hij terug. Met een stuur! Zijn eigen stuur van zijn oude fiets. Gebruikte hij toch niet meer. Mochten wij wel hebben! Gered! Dat was toch wel echt boffen. Even sleutelen om alles over te zetten en we konden weer verder!
Het volgende traject was vooral voor Rinse heel leuk. Hij heeft heel wat bergtochten gemaakt in de het Schober gebergte bij Lienz. Zowel met groepjes als met zijn kinderen. Dat was dan natuurlijk steeds met de auto heen en terug. Nu zijn we daar op eigen kracht heen gefietst.
We volgden nog steeds de Drau. Tot Villach was het een uitstekende route en werd er veel gefietst vooral in het weekend. Leuk om te zien dat fietsen hier ook een familie aangelegenheid is. Vaders met kleine kinderen op pad. De kinderen met stevige terrein fietsjes en valhelm. En ook veel groepjes die met bepakking fietsen, van pension naar pension.
Na Villach wordt het allemaal wat minder. We krijgen al wat Joegoslavische invloeden zo voelen wij. Minder luxe huizen, minder toeristen en het eerste kerkje met Joegoslavische teksten. De paden worden ook wat saai. Lange rechte dijken en slecht asfalt of los gravel. Er zijn hier ook geen campings, een mooi excuus om zelf een plekje te zoeken om te kamperen. Voor het avond eten even naar een supermarkt. We hebben weer eens ons oude recept klaargemaakt: rijst met boter en suiker. Wij doen er dan wel rozijnen en abrikozen bij. Lekker en gemakkelijk. We hebben bijna steeds zelf gekookt. Met de fiets kom je vaak genoeg in dorpen om boodschappen te doen en wat extra gewicht is ook geen probleem. Meestal kochten we een paar aardappels, een ui en tomaat of broccoli. Alles in de pan en even koken. Een paar plakjes kaas eroverheen en laten smelten en je hebt een prima maaltijd.
Slovenië Lavamund was het laatste dorpje in Oostenrijk voor de grens Oostenrijk-Slovenië. Er stond een mooi bord met een gedicht; "Alle begin is gemakkelijk, hoe verder je gaat, hoe moeilijker. Daarom komen er ook maar weinigen aan het eindpunt." Heel toepasselijk voor ons. Nu begint immers de echte uitdaging: De voormalige Oostblok landen, zonder bewegwijzerde fietsroutes, en met kaarten van 1: 500.000 of nog grotere schaal. Het begint al met de naam van de rivier. Drau heet hier ineens Drava.
Voor Maribor wilde we overnachten maar een geschikte plek konden we steeds niet vinden. Dan maar aan mensen vragen. Een oude man was net in zijn tuintje bezig. Met een beetje Duits en veel handen en voeten werk begreep hij dat we een kampeerplek zochten. Oh, dat was geen probleem. Naast het pad had hij een parkeerplaatsje. Konden wij mooi staan. We waren al weer blij, totdat we ontdekte dat het onder de peren bomen was en de grond bezaaid was met overrijpe-rottende peren! We hebben die nacht "fruitig" geslapen.
Het eerste stuk in Slovenië hadden we een drukke weg. We konden niet veel anders want je bent verplicht om bij een internationale douanepost de grens over te gaan, en dat zijn nu eenmaal drukke wegen. Als de pech strook wat breder is kan je baar best op fietsen, maar meestal is dat niet zo. Zolang de weg vrij is gaan vrachtwagens en bussen met een ruime bocht om je heen, maar als er tegelijk een tegenligger aan komt hebben ze geen zin om af te remmen. Dan kan je als fietser maar beter de berm in duiken, zo hebben we gemerkt.
Kroatië en een stukje Hongarije Dezelfde dag nog zijn we de grens Slovenië-Hrvatska gepasseerd. Een vreemde naam? Nee hoor, zo heet Kroatië in het Joegoslavisch. Het werd meteen een stuk rustiger op de weg. Leuke dorpjes, elk huisje heeft een hele hoop schuren en hokjes naast en achter het huis. Meestal worden er een paar koeien gehouden, kippen en eenden lopen los rond, kortom een gezellige rommel. Het was nu oogsttijd voor de maïs dus iedereen was druk bezig met maïs drogen en opslaan.
Om de Drava te blijven volgen zijn we ook nog een stukje door Hongarije gegaan. Dit was echt grens gebied en viel ons erg tegen. Armoedig en vervuild. We zagen hier ook ons eerste paard en wagen. Dezelfde dag nog gingen we terug Kroatië in. Van al het geweld de afgelopen jaren in Kroatië hebben wij niet veel gezien. Alleen in Osjek, de laatste grote plaats waar we door kwamen zag je wel de kogen gaten in grote gebouwen. Deze zijn nu afgedankt en zien er vervallen uit. Ik heb er maar geen foto van gemaakt. Je weet nooit misschien dat iemand daar moeilijk over doet.
Dat Kroatië al helemaal met de wederopbouw bezig is kan je aan alles zien. Enorme snelwegen, zonder verkeer overigens. Grote supermarkten waar van alles in overvloed te koop is. Op zaterdag 15 september bereikte we onze volgende mijnpaal: de Donau. We fietsen op een soort stuwwal langs het water. Je had zo mooi uitzicht ook over de enorme vlakte aan de andere kant van de Donau dat was nog steeds Hongarije . Dit was een populair stukje, welgestelde mensen uit de stad hadden hier een tweede huisje. De weg er heen was meestal nog maar nauwelijks af, maar de vakantie woningen stonden er al. Bij een hotel-restaurant, ook nog niet af natuurlijk, mochten we kamperen. Meteen even bij het water kijken natuurlijk. Nog best hoog water, maar niet te vergelijke met verleden jaar toen het water overal de huizen in liep.
Servië Ons volgende land was Servië. Het dal van de Donau is hier breed en eentonig. Het wordt ook steeds moeilijker om plek te vinden om te pauzeren vanwege de rommel die overal rondzwerft. Mensen houden hun dorpjes zo mooi schoon, maar alles erbuiten is bezaaid met vuilnis, vooral veel plastic zakken, plastic flessen en verpakkingsmateriaal. Hier kwamen we zomaar een echte bewegwijzerde fietsroute tegen. De "Donau radweg", het vervolg van de wereld beroemde fietsroute langs de Donau naar Budapest. Er blijkt een gidsje te zijn "Donau Radweg-von Budapest bis zum Schwarzen Meer" waarin deze route omschreven is maar dat hadden wij niet. "Laten we de route maar eens even volgen", zei Rinse. We kwamen al meteen bij een spoorweg overgang; alleen een wat vreemde mannier om het spoor over te steken. Dat zou in Nederland wel iets anders geregeld zijn, maar hier komen dan ook geen sneltreinen om het kwartier voorbij.
We konden er moeilijk omheen; Belgrado, de hoofdstad van Servië. Er stond een camping aangegeven op onze kaart, maar daar geloofden wij niets van. We hadden al tevergeefs naar meren gezocht die op de kaart stonden, maar al lang opgedroogd, of verhuisd moeten zijn geweest. Dit keer klopte het; een echte "motorcamp". In Zemun, 5 km. voor Belgrado. Hoogste tijd om weer eens een douche te nemen, de fietsen wat op te poetsen en gewoon eens wat rustig aan te doen. Een restaurant was er niet, ook geen winkel in de buurt dus moesten wij het maar met soep en brood doen. Ook niet erg, behalve dan dat ons brood ineens weg was. Er liepen zwerf honden op het terrein, daar waren wij niet op voorbereid. Onderweg deden we onze boodschappen zoveel mogelijk in de kleine winkeltjes. Altijd grappig om te zien wat ze daar verkochten. Van spijkers tot sokken en van limonade tot muurverf. Van alles meestal maar een of twee stuks. Maar wat het meest verkocht werd was toch vaak brood. En bier, en dan geen pijpjes maar plastic flessen van 2 liter! Elke winkel was daar ruim in voorzien. Of ze melk, sap of limonade hadden moest je nog maar afwachten. Alles stond trouwens wel netjes in de ijskast, maar die was meestal niet aan.
In Belgrado was het weer tijd om te naar huis te bellen. Dat kon in het postkantoor. Met al het zoeken naar een postkantoor hebben we ook wat van de stad gezien. Hoge gebouwen, veel mensen en vooral veel auto's. We waren al lang blij toen we na heel wat omzwervingen de stad weer uit waren. Nu op naar het spannendste stukje Donau :"De IJzeren poort" genaamd. De rivier scheidt hier de zuidelijke Karpaten van de noordwestelijke uitlopers van het Balkan gebergte. Over zo'n 134 km. slingert de rivier tussen de steile wanden van deze bergketens door. Prachtige rotsen aan beide zijden, steil naar beneden lopend tot in het water. De weg loopt steeds door tunneltjes. Een prachtige weg overigens, maar de tunneltjes waren niet echt prettig; smal en zonder verlichting. Bij de langere tunnels deden we het eerste stuk te voet, dan konden onze ogen aan het donker wennen. Als we dan de uitgang weer zagen ging het fietsen ook wel weer. De IJzeren Poort (Roemeens: Portile de Fier)
We hadden een prachtig kampeerplekje bovenop zo'n tunneltje. Uitzicht over de Donau en de overkant van het water. Dat was Roemenië. Je kon wel zien dat ze daar hard aan de weg aan het werken waren. We waren benieuw hoe de wegen er voor ons uit zouden zien als we de volgende dag de grens over gingen. We hebben hier ook onze eerste echte vakantie fietser ontmoet. Een Duitser op weg naar Zagreb. We stonden midden op de weg, natuurlijk heel hinderlijk voor de auto's maar we moesten toch wel even onze ervaringen vertellen en tips over de beste routes en onderdak adressen uitwisselen.
Roemenië Bij Drobeta Turnu Severin is de grens overgang naar Roemenië. Hier is in 1964 een dam over de Donau gebouw. Dit mega project is door Roemenië en voormalig Jugoslavie gebouwd ten eerste om overstromingen in het lager liggende deel te verhinderen. Daarnaast is het een enorme waterkrachtcentrale. Het ziet er allemaal wat rommelig uit. Maar de mensen bij de grensposten waren uiterst vriendelijk. Paspoortcontrole is er nauwelijks, ten minste niet voor fietsers.
Zoals we al verwachtten waren de wegen inderdaad een stuk slechter in Roemenië. Ze gebruiken daar het plak en knip systeem. Elk gat wordt uitgebikt en opgevuld, totdat er weer een gat naast komt wat ook weer zo behandeld wordt. Voor fietsers heel vermoeiend, vooral als sommige gaten gewoon nog niet dicht zijn gemaakt. Of als er bijvoorbeeld putdeksels ontbreken. Beetje uitkijken dus. Ook in Roemenië wilden we eerst de Donau een stuk volgen voordat we Bulgarije in gingen. En hier opeens onze volgende verassing. Een camping! Met grote letters aangegeven "Smile Camping". Wij kijken natuurlijk. Een stelletje waakhonden stormde op ons af dus ging ik in de slag met mijn "dazer" (een anti-honden fluit die een schel geluid maakt dat wij niet kunnen horen, maar een hond pijn doet aan zijn oren aldus de fabrikant). Ze renden niet meteen met de staart tussen de poten weg , maar kwamen ook niet dichterbij. Het helpt dus wel maar niet zoals ik had gehoopt. Het was inderdaad een camping, maar tevens een club! Gezellige bar met hang krukken en biljart, massage ruimtes, terras, strand met ligbanken en een V.I.P. gedeelte. Wat dat moest zijn was niet helemaal duidelijk, maar je moest wel in badkleding verschijnen kon ik lezen. Nu, buiten het seizoen was het niet in gebruik, maar wij mochten er wel staan met de tent; maar dan wel op het "kampeerveld" tussen de kleedhokjes.
Net als vorig jaar hebben we ook nu weer genoten van de gezellige dorpen en vriendelijke mensen in Roemenië. Weinig auto's en veel paard en wagens. Gras halen of gewoon een ritje naar het dorp. De oude vrouwtjes, gezellig kletsen op het bankje voor hun huis. Of de ganzen naar een weitje brengen net buiten het dorp.
Toch blijft Roemenië een raar land. De grote leegstaande gebouwen, oude megaboerderijen die niet meer in gebruik zijn en alleen maar kapot gemaakt worden. Langs de Donau zie je zelfs enorme percelen land helemaal ingericht voor bijvoorbeeld druiven teelt met terrassen en al. Maar geen druiven struiken te zien. Alleen maar braak liggend terrein waar een herder met wat schapen rond loopt. En dan nemen ze langs de weg kleine perceeltjes land in gebruik om er pepers of meloenen te telen. De mensen wonen achter zo'n perceeltje in een gammel hutje en gaan aan de weg zitten met een stalletje om een paar meloenen te verkopen. Hotels of campings waren hier natuurlijk ook niet. Om hier wild te kamperen vond ik ook niet zo'n goed idee dus dan maar vragen in het volgende dorp; Rast. Bij een klein cafeetje heb ik in de internationale "handen en voeten taal" uitgelegd dat wij onderdak zochten. Nee, er was natuurlijk niets, geen hotel, geen camping, ook geen klein pensionnetje of zo. Maar ik had al gezien dat er naast het café een grasveldje was. "Mogen we daar dan met de tent staan", probeerde ik duidelijk te maken. Toen dat eenmaal duidelijk was, was het ook geen enkel probleem meer. Tot de volgende ochtend althans. Want onze gastvrouw woonde kennelijk niet bij het café ze was 's nachts naar huis gegaan en had het hek van de tuin met een hangslot afgesloten. Wij konden er 's morgens dan ook niet uit. "Even verzinnen", zei Rinse "een tafel vóór het hek en een stoel aan de straat kant. Alle bagage er eerst overheen en dan de fietsen er ook op z'n kop overheen". Moet lukken. Het lukte ook maar we werden wel raar aangekeken door de mensen die voorbij liepen. "Buitenlanders, zie je wel dat ze eigenlijk gek zijn!"
Wij hadden nieuwe kaarten van Roemenië bij de ANWB gekocht. Op die kaarten stonden drie grens overgangen van Roemenië naar Bulgarije. De grens overgang bij Zimmcea kwam ons het beste uit. We wilde beslist om Sofia, de hoofdstad van Bulgarije, heen rijden. We wilde niet weer in zo'n enorme steden massa verdwalen. Maar ik vertrouwde het niet. Bij de eerste grensovergang zijn we dus maar even gaan vragen of het klopte dat je verderop ook naar Bulgarije kon."Geen probleem", zei een man van de Douane. Wij op naar Zimmcea. Maar, nee hoor, grens overgang al vele jaren buiten gebruik. Balen dus. We konden wel naar Bulgarije, 60 km. verder op bij Giurgiu. Kwaad van woede hebben we diezelfde middag die 60 km nog even extra door gefietst. De kilometer teller stond op 140 km toen we vlak voor Giurgui waren, en het begon al te schemeren. "We moeten hier maar ergens een plek gaan zoeken", zei Rinse. "Een visvijver, daar moet het wel lukken", zei ik. We reden net het zandpad op toen er een Nederlandse auto aan kwam. He, Nederlanders? Reageerden wij verbaast, en stapten af. De auto stopte ook. Het was inderdaad een Nederlander, Roelof heette hij en hij was net zo verbaasd om ons te zien als wij verbaasd waren om hem te zien. Hij woonde met zijn vrouw in een caravan aan de visvijver! Die avond hebben we gezellig samen gegeten en tot laat in de nacht bij het houtvuur zitten kletsen. Verhalen over Roemenië gehoord en verteld over onze tocht. De ergernis over die stomme douanem! an waren we al lang weer vergeten.
Na veel omwegen bereikten we de volgende dag de grenspost bij Giurgiu aan de Donau. Bulgarije ligt aan de andere kant van de Donau en er is hier een brug, dit is de voornaamste grens overgang van Roemenië naar Bulgarije. Wij verwachtten dan ook wel een flinke brug. Maar dat viel nogal tegen; een tweebaansweg, en dan nog behoorlijk smal ook. Daar moeten dagelijks al die kolossen van vrachtwagens met opleggers overheen. Het asfalt was er in ieder geval niet tegen bestand dat konden we wel zien aan alle sporen in het wegdek.
Bulgarije Eindelijk in Bulgarije. We hadden lang genoeg langs de Donau gefietst, nu weer de heuvels in. En meteen in een natuurpark; Rusenski Lom genaamd. Een berggebied waar de gelijknamige rivier met zijn zijrivieren de Beli (Witte), Malki (Kleine) and Cherni (Zwarte) Lom prachtige kloven hebben uitgesleten.
We zijn doorgefietst naar Popovo. En dan krijg je weer zo iets mafs. Er waren maar liefst 3 hotelletjes in deze plaats. Nou we gaan vooruit zou je dan zeggen. Maar bij het eerste hotelletje kwam de eigenaar al meteen naar buiten. "Vol", zei hij. "Geen plaats, ga maar ergens anders heen." Wij op naar het volgende adres. "Vol", was het antwoord meteen. "Ga maar naar het volgende adres." Maar gelukkig hadden wij een oudere Bulgaarse man bij ons die ons de weg had gewezen. Hij maande de hotel eigenares om eens te bellen naar het andere hotel, of daar dan wel plaats was. Daar was ook geen plaats. De man nam het voor ons op."Je kunt die mensen niet zomaar weg sturen", zoiets begreep ik uit zijn gebaren. Het duurde nog even en toen; "Komt u maar mee", we hebben misschien wel wat." Een prima kamer, één van de vele lege kamers volgens mij want verder zag ik geen mens. De eigenares was plotseling ook vol belangstelling "Waar komen jullie vandaan", vroeg ze. "Oh. Holland, Amsterdam, I know", vertelde ze. Maar waarom dan eerst al die poppenkast vroegen we ons af?
Na Popovo moesten we de Stara Planina over. Deze bergketen, overigens ook een prachtig gebied om te wandelen, is een uitloper van de Karpaten. Wij hadden de minst hoge overgang gekozen, aangegeven als een slingerend weggetje op de kaart. Dat klopte behoorlijk en er ook een echte pas met haarspeld bochten en al. De pas bij het dorp Kothel lag op 700 m. Prachtig uitzicht.
Er waren hier nog wel wat paard er wagens maar veel minder dan in Roemenië. Hier liepen zelfs "wilde paarden" op de weg, al hoewel wild? Dat is iets dat ik ook niet snap. Roemenië en Bulgarije zijn al lid van de EU. Dat er nog hel wat moet gebeuren voordat deze landen aan onze standaard van sociale voorzieningen, van wegen enz. zijn aangepast begrijp ik. Maar zowel hier als in Roemenië laten ze de paarden zogenaamd loslopen. Dat wil zeggen niet opgesloten in een wei en ook niet aan een touw. Ze binden hier gewoon de twee voorbenen van het dier aan elkaar. Een heel klein beetje ruimte zorgt er voor dat ze nog net kunnen schuifelen om te grazen. Zo belandde hier zo'n prachtig paardje op de autoweg. Vluchten kan het niet, als er aan auto aankomt die niet stopt wordt het in een keer dood gereden. Dat kan toch niet. Afgrijselijke dieren mishandeling, maar toch ook stom, paarden zijn toch een kostbaar bezit in zo'n land. Via Jambol zijn wij naar de grens Bulgarije-Turkije gereden. Een rustige weg door een vrij saai agrarisch gebied. Grote percelen land en weinig dorpen. Bij Svilengrad hebben we gevraagd waar wij met de fiets het beste de grens over konden gaan. Volgens de kaart zou je ook nog een stukje door Griekenland kunnen gaan, maar dat bleek in de praktijk te ingewikkeld. Maar gewoon de borden "Turky" volgen dus. Er was geen apart fietspad maar een combinatie snelweg (E 80) en gewone weg (8) tegelijk. We waren nog niet eens over de grens toen we ons eerste bord "Istanbul" tegenkwamen. "Nog zo'n klein stukje", zei ik.
Turkije De grens overgang was zich was geen probleem. We moesten wel eerst een visum kopen ( 10 euro) en er werd wel 6 keer naar de paspoorten gevraagd. Maar ze deden nergens moeilijk. Voor vrachtwagens is dat wel anders. Toen we Turkije inreden stond er een enorm lange rij vrachtwagens te wachten. Over een afstand van zeker 11 km. stonden ze stil. "Die chauffeurs moeten hier misschien wel dagen in de rij staan", zei ik. "Misschien vanwege de overgang naar een EU land", antwoordde Rinse.
Onze eerste stad in Turkije was Edirne. Een leuke, vooral vrolijke stad na al dat Oostblok gebeuren. Hotels en eet gelegenheden genoeg. Moderne winkels en terrasjes, maar ook mensen met handkarren die fruit en groente verkochten. Een gezellig rommelig geheel. De Aziatische invloeden kon je hier zien, horen en ruiken! De volgende dag was de zwaarste dag van onze hele tocht. Niet de bergen dus en niet in de voormalige Oostblok landen, maar van Edirne naar Pinarhistar. We hebben die dag maar 95 km. gereden, op zich niet veel dus, maar de weg was slopend. Bijna aan een stuk door kaars recht, eerst nog zonder heuvels maar daarna de ene heuvel na de andere. Een half uur klimmen en dan weer 10 minuten afdalen, vervolgens weer een half uur klimmen enz. Bovenop kon je zien dat de weg zo nog kilometers door ging. Erg ruw asfalt dat ook nog eens remmend werkt. Om je heen eindeloze velden met braak liggend terrein of afgemaaid maïs. Loei en loei heet er nergens een plekje schaduw.
Vanaf Pinarhistar zijn wij naar de Zwarte zee gereden. Het laatste stuk was vooral heel mooi. Je ziet dan in de verte de zee al en de weg blijft mooi op hoogte lopen. Hele grote stukken bos ook in deze streek, lekker zeker nu het zo heet is. Dat we al dichter bij de stad kwamen merkten we aan de "picknick alani's", picknick plaatsen, meestal met een restaurantje erbij. We hebben onderweg een grote watermeloen gekocht. Bij zo'n picknick plek hebben we die in één keer opgegeten.
Op zondag 30 september, na 33 dagen fietsen bereikten we de zee bij Karaburun. Een gezellig vissersdorp, en buiten alle verwachtingen; een "camping". Althans dat stond op het bord. In de praktijk was het een veldje waar wat eenden en kippen rond liepen. Maar wij mochten er kamperen en er was een kraan en toilet. Eerst even lekker uitrusten en genieten van de Zee. Dan het dorp verkennen.
Van hieruit zijn we met de bus naar Istanbul gegaan. Een busritje van bijna 2 uur. Allereerst natuurlijk om de terug weg te regelen, en even naar huis bellen en verder om de stad te verkennen. De terug reis regelen bleek geen enkel probleem. We hebben een vlucht geboekt voor dezelfde week vrijdag. Zo hadden we nog even een paar dagen om hier wat rond te kijken en uit te rusten.
Istanbul is een enorme stad met maar liefst 15 miljoen inwoners. Dat merkten we met de busreis al. Enorme buiten wijken met flats. En nog meer in aanbouw. Het centrum zelf; Eminönü, is vooral bekend om de grote moskeeën, maar ook de markten en natuurlijk het uitzicht over de Bosporus. Veel westerse toeristen natuurlijk, maar ook opvallen veel mensen uit het land zelf die naar de moskeeën komen om te bidden. Ook om een foto te maken: met de hele familie voor Sultan Ahmet moskee (ook wel Blauwe moskee genoemd vanwege de vele blauwe tegeltjes in de gevel ) of de Aya Sofia. Wij hebben vooral aan zee gezeten met uizicht op de Bospurus.
Toen kregen we het onzalige idee om te proberen met de fiets van Karaburun naar het vliegveld te gaan. We wilde immers eigenlijk het liefst alles echt fietsen tot in Istanbul toe. Op de kaart leek dat best te doen. Maar in de praktijk eigenlijk niet. De stad is zodanig uitgebreid dat we met de kaart niet veel konden beginnen. Wegen die daarop stonden waren er allang niet meer of niet meer te vinden in de warboel van nieuwe industrie terreinen en woonwijken. We hebben het na veel zoeken bij een tankstation gevraagd. Er is maar één mogelijkheid verzekerden ze ons. Over de drukke autoweg dwars door de stad. Dat bleek juist te zijn. Het was een snelwegachtige vierbaans weg, maar wel met brede pech strook, langs de kant fietsen ging dus wel. Er zou ook een camping zijn was ons verteld. Dat zal ook wel maar die konden wij ook nergens vinden. Uiteindelijk zijn wij maar doorgereden naar het vliegveld. Hebben de fietsen in de parkeer garage gestald en zijn naar de stad terug gegaan met openbaar vervoer om een hotelletje op te zoeken. Op de dag van vertrek hoefden we nu alleen nog maar met openbaar vervoer terug naar het vliegveld en konden daar meteen de fietsen pakken. Dit ging eigenlijk allemaal prima. In Istanbul hadden we een groot stuk plastic gekocht. De fietsen hebben we voor het transport wat omgebouwd; trappers eraf en stuur omgedraaid. Plastik erom gebonden en zo naar de Douane. Bij de balie geen probleem, behalve dan dat we de banden leeg moesten laten lopen. Anders "ppffttt", legde de balie medewerker uit. Wij begrepen het, en ook al was het volgens ons niet nodig maar gehoorzaamden natuurlijk meteen. Een beetje vreemd maar dit toestel (Onur air, een Turkse charter) ging eerst naar Ankara om nog meer mensen op te halen en dan pas naar Amsterdam. We kwamen om 20.35 uur in Amsterdam aan. Alle bagage opgehaald en de fietsen weer uitgepakt. Niets vermist, niets beschadigd. Nog een stukje treinen en we waren weer thuis. Een goede reis gehad, veel gezien, veel meegemaakt en vooral ook veel genoten van de vrijheid van het reizen op zo'n manier.
Rinse en Carla,
Landen waar we door zijn gekomen:
|