Nieuw-Zeeland
28 januari 2007 - 28 maart 2007

 

De aanleiding om naar Nieuw-Zeeland te gaan was om op familiebezoek te gaan bij mijn broer Roel en zijn familie. Roel woont nu al acht jaar in Nieuw-Zeeland en ik was er nog nooit op visite geweest. De hoogste tijd dus. Maar de reis werd veel meer dan een familiebezoekje.

 

Maleisië, deel een

 


 

Omdat Nieuw Zeeland ca. 24 uur vliegen van Nederland is hebben we de reis zowel op de heenweg als op de terugweg onderbroken met een bezoek aan Maleisië. Op de heenweg een week in het Natuurpark Taman Nagara en op de terugweg een week op het eiland Penang. Dat maakte onze tijd voor Nieuw Zeeland wel korter (maar zes weken), toch hebben we daar ook nog zowel het Noordereiland als het Zuidereiland bezocht.

Op 28 januari zijn we met Malaysia Airlines naar Kuala Lumpur vertrokken. Zoals echte backpackers met de "Rough Guide" in de hand op pad. "Travellers Lodge" klonk wel goed, was het ook (naar backpackers maatstaf althans). Dicht bij Chinatown dus de volgende dag hadden we het "Azie-gevoel" al weer snel te pakken. Het kabaal, de drukte, wirwar van auto's en bussen en natuurlijk de geur van de eetstalletjes waar de hele dag van alles klaargemaakt wordt langs de straat. Net als in Bangkok twee jaar geleden toen we onze fietstocht door Thailand begonnen.

Toch maar snel de grote stad uit dus na één dag in Kuala Lumpur zijn we doorgereisd naar Kuala Tahan, eerst met de 3 uur met bus en daarna 3 uur met een klein motorbootje. We moesten een brede maar heel ondiepe rivier opvaren, met aan weerszijden de jungle. Ik had in Nederland al een gidsje gevonden over het park. Het is het grootste natuurpark van west Maleisië en al vanaf 1925 een natuurreservaat. Een ondoordringbaar tropisch regenwoud waar van maar een heel klein deel toegankelijk is gemaakt voor bezoekers. Er lopen nog olifanten, tijgers en zelfs panters en luipaarden in het wild rond. Het gidsje beschreef diverse wandelroutes en overnachtingsplaatsen.

 


Woudreus in Taman Nagara

 


Bezoek aan een Orang Asli dorp

 

"Can we camp somewhere?", was onze eerste vraag toen we aankwamen in het dorpje aan de rand van het park. Dat ging: ze hadden een mooi grasveldje voor ons alleen. Wandelroutes waren er ook, alleen, helaas niet meer zoveel als in het boekje stonden. En ook de overnachtingsplaatsen waren niet allemaal meer in gebruik. Kennelijk is er enkele jaren geleden enorm veel moeite gedaan om meer toeristen aan te trekken. Dat is niet echt gelukt. Maar we konden wel op pad, een driedaagse tocht met gids door de jungle. Was heel leuk. Genieten van de geuren, van het geluid en van de enorme variatie aan planten en bomen om ons heen. We hebben overnacht in een grot en een keer in een eenvoudig hutje bij een "Orang Asli" (soort bergstam) dorp. Apen hoorde je onderweg wel en meerdere keren hebben we pootafdrukken gezien van olifanten, olifantenpoep, afgerukte palmbladeren waar ze hadden gegeten en geslapen. Soms niet meer dan een dag geleden vertelde de gids. Tijgers hebben we niet gezien alleen één keer een pootafdrukken. Wel hebben we de "leeches" gezien en gevoeld; bloedzuigers, ze kruipen zelfs door je sokken heen, bijten een stuk uit je vel en zuigen zich vol bloed. Een vieze bedoeling maar niet giftig of gevaarlijk. Door je schoenen en sokken met "kakkerlak-spray" te behandelen kon je ze enigszins afschrikken.

We hadden na die tocht nog twee dagen over en voelde ons echte "ervaren junglelopers", dus zijn daarna zelf eropuit gegaan. Langs de rivier stroomopwaarts liep nog een mooi pad. Aan het einde van dat pad was een (vervallen) kampeergelegenheid. Dat was iets voor ons. Lekker zonder gids, je eigen tempo lopen, onderweg nog even de rivier in als het te heet werd. We kwamen langs een plek waar de je de verse olifantenpoep zelfs nog kon ruiken! 's Avond een mooi plekje uitzoeken - niet op de "camping", maar aan de rivier. We hebben wel een flink kampvuur gemaakt, en 's nachts heb ik er nog een paar keer wat extra hout op gegooid om het aan de gang te houden. Je weet maar nooit of toch niet een verdwaalde tijger in de buurt is. Als die er was heeft die zich gelukkig niet laten zien die nacht. Daarna zijn we terug gegaan naar Kuala Lumpur het vervolg van onze volgende vliegreis naar Nieuw Zeeland.

 

Nieuw-Zeeland

 


 

Op het vliegveld van Auckland stonden Roel en Marieke ons op te wachten. Leuk om hen weer te zien, lekker bijpraten en wennen aan Nieuw Zeeland. Ze konden ons mooi op de hoogte brengen van de gewoonten hier en vooral van de vreemde verkeersregels en het links rijden. Als familie uitje stond zaterdags een boottochtje vanuit Auckland op het programma. Gezellig en meteen genieten van de zon en zee. We hebben nog twee wandelingen in de buurt van Auckland gemaakt. Onze eerste kennismaking met het regenwoud hier - heel apart als je er nog nooit geweest bent; al die "tree-ferns"; eigenlijk varens maar dan zo groot als een boom! En een dichte onderbegroeing met veel mos en lianen, spookachtig, net als in de "Lord of de Rings", maar dan in het echt!

 


Tree ferns (boomvarens) in het Waitekeri National Park

 

We wilden van Auckland uit eerst naar Christchurch op het Zuidereiland want daar hadden we een autootje gehuurd. Maar even met de trein en de ferry bleek niet zo gemakkelijk, dat zou ons 3 dagen kosten! Dus dan maar vliegen! Wat een luxe allemaal, helemaal niet wat wij gewend zijn; al die verzorging, boottochtjes, auto huren, vliegen.

 


Het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland
(1) Queen Charlotte Track,
(2) Wellington,
(3) Christchurch,
(4) Mount Cook,
(5) French Ridge,
(6) Greenstone Track,
(7) Kepler Track

 

Maar we gingen toch ook naar Nieuw Zeeland voor de bergen? Zeker, zodra wij ons autootje in Christchurch hadden zijn we naar Queenstown gegaan, het centrum voor de wandelingen in Fiordland en de Southern Alps. In Nieuw Zeeland is het niet zoals wij in Europa gewend zijn; een kaart kopen en op pad gaan. Je moet van je te voren inschrijven voor een bepaalde wandeling, hutten of campsites bespreken en betalen, je rondje lopen en jezelf weer afmelden als je terug bent. De wereld beroemde Milfordsound wandeling konden we niet maken, dat wisten we al. Die moet je minstens een half jaar vooruit boeken. De Routeburn track zat ook al vol. Dus wij gingen voor de Kepler track. Zeker een heel mooie route, vooral het gedeelte boven de boomgrens en het uitzicht op de meren. En het veel beloofde slechte weer en de mist? Twee van de drie dagen hoor je hier in de regen te lopen, er valt wel 4000 mm per jaar! Maar niet als wij er zijn, we hebben niets dan prachtig weer gehad, alle dagen op het Zuidereiland!

 


Op de Kepler Track, Zuidereiland

 

Ook onze tweede tocht; een combinatie van de Greenstone - Caples route was prachtig. Door een alternatief pad te kiezen konden wij er een rondwandelingen van 3 dagen van maken, maar bij het alternatieve pad stond aangegeven "only for expirienced trampers"! Op de kaart zag het er niet moeilijk uit. Was het ook niet, behalve dan dat er geen plek voor de tent te vinden was! Uiteindelijk hebben we net over het zadel van de berg een plekje gemaakt. Met pollen gras en de lege rugzakken onder de tent konden we net tussen een paar grote stenen de tent opzetten. De volgende dag was het nog best wat struinen en zoeken voor we weer in het dal kwamen, maar wel leuk juist.

Zo kwamen wij weer terug bij de auto die we bij de "Divide"(een bekende plek voor de wandelingen) hadden geparkeerd. We verlangden naar wat meer echte bergen, dus op naar Mount Aspiring (3033 m.). Een van de hogere bergen in de Southern Alps. Ook nu weer konden we van de DOC (Department of Conservation) kampeerterreintjes gebruik maken. Dit is echt goed geregeld; kleine terreintjes zonder veel voorzieningen maar schoon en rustig gelegen waar je goed met de auto kunt komen en niet duur. Ze worden dan ook veel gebruikt door alle campers die hier rondrijden en overal maar een nacht blijven. Heel Zuidereiland lijkt trouwens vol met campers, meer zelfs dan gewone auto's en dat is dan nog buiten het hoog seizoen! Waarschijnlijk rijden hier meer toeristen dan mensen die hier wonen. Er zijn ook eigenlijk maar weinig dorpen. Alleen maar grote veebedrijven "stations". Dat had ik wel in Australië verwacht maar hier niet. Ook de enorme droogte in het binnenland viel ons op. Een land met zoveel regen, maar ten oosten van de bergrug echt super droog en dor! Alleen nog maar schapen en soms zelfs die niet meer.

 

 

We komen nu uit het Fiordland en hier is het ook wat minder druk met wandelaars. Vanuit Wanaka een klein toeristisch plaatsje konden we ons naar het begin van de wandelroute laten brengen met een busje. Dit stuk konden we zelf niet rijden omdat het een onverharde weg was en daar mag je niet op met een huurauto. Ik vond het ook wel grappig, tussen allemaal Nieuw Zeelanders. De chauffeur kwam uit Wanaka zelf en de andere wandelaars die ook in het busje zaten kwamen uit Auckland. De chauffeur had heel wat kommentaar op zijn stadse klanten, maar samen waren ze het er wel over eens dat alles beter was dan Australiërs (zelfs Nederlanders)!

 


De Rob Roy Glacier

 


In de sneeuw bij French Ridge

 

Op deze tocht zijn hebben we echt in de sneeuw kunnen lopen. Bij French Ridge, de hoogste hut uit die omgeving kon je kamperen en daarna verder doorlopen tot boven de 2000 m. Daar ligt zelfs in de nazomer nog sneeuw. Heel vreemd eigenlijk; in de Alpen van Europa vind je 's zomers onder de 3000 m. nauwelijks nog sneeuw. Je bent hier ook al veel eerder boven de boomgrens, met 1500 m. begint het al "alpine-achtig" te worden. De bekende hoge alpenweitjes zoals we die in Zwitserland kennen zijn hier eigenlijk niet. Het zijn hier veelal grote, brede rivierdalen tussen steile bergen met een dicht bos tot de boomgrens toe. Van die dichte bossen heb je na enkele uren wel genoeg, veel geklauter over boomstronken en geen uitzicht, maar boven was het prachtig. Resten van gletsjers en prachtige steile wanden dus veel foto's maken.

Op deze route kwamen we een Engelsman tegen, die warden (beheerder) van de hut was geweest en nu terug ging naar het dorp. Toen hij merkte dat wij Nederlanders waren werd hij meteen enthousiast. Hij vroeg of wij ook van "Vrienden van de fiets", waren. Hij had veel in Nederland gefietst en gebruik gemaakt ven deze onderdakadressen. Toen hij hoorde dat wij juist voor die sneeuw kwamen zei hij meteen dat we dan ook naar de Muellerhut moesten gaan. Hier had ik zelf ook al naar zitten kijken maar dat was bij Mount Cook en eigenlijk niet op onze route naar het noorden. De hut staat op een prachtige plek; net boven de plek waar twee gletsjers bij elkaar komen en je hebt prachtig uitzicht op Mount Cook; moet je heen gaan dus, adviseerde hij ons. Het zou ons twee extra rij-dagen kosten, maar het leek toch de moeite waard.

 


Een sluierwolk op Mount Cook

 


Mueller gletsjer bij Mount Cook

 

Ook voor deze hut moesten wij ons natuurlijk aanmelden. Omdat het maar één nacht was besloten we zonder tent te gaan, een echte Nieuw Zeelandse hut-ervaring moet je toch ook meemaken. De hut lag inderdaad heel mooi. Op weg naar boven had je prachtig uitzicht over de Mueller gletsjer en de Frind gletsjer, gletsjermeren en enorme morenes. Helaas zijn de gletsjers hier ook heel ver terug getrokken en ligt er veel puin en gruis op het ijs. Het spectaculairste was nog dat je het ijs "zag bewegen", er braken steeds grote ijsbrokken los die dan met een enorm gebulder naar beneden kwamen en uit elkaar spatten.

De hut ligt op 1800 m en het dorp maar op 782 m. dus het was best een pittige klim. Het huttengebeuren was ook wel heel anders dan we gewend zijn in Europa. Vooral in Oostenrijk zijn de hutten meer grote luxe hotels geworden, kompleet met tweepersoonskamers, warme douche, uitgebreid restaurant enz. De "huttenwaard" weet vaak beter welk bier het lekkerste is dan hoe hoog de dichts bijzijnde berg is. Hier is de "warden" vaak een vrijwilliger die in ruil voor zijn "op-pas" dienst gratis mag overnachten. Eten moet je zelf meenemen, douches, zelfs wasgelegenheid is er niet, geen dekens enz. Dat maakt de het allemaal wel veel echter en gezelliger. Het mooiste was nog het beluisteren van het weerbericht. Stipt om 19.00 's avonds ging de radio ontvanger aan. Het werd muisstil in de hut en iedereen luisterde gespannen naar het weerbericht. Je kan nooit weten, misschien wel sneeuw of mist, en dan ben je helemaal afgesloten van de buitenwereld! Wel een beetje overdreven vonden wij, met een afstandje van 2 uur lopen naar beneden over een pad waar dagelijks tientallen mensen heen en weer lopen!

Na dit bezoek hadden wij nog maar een vijf dagen voordat we over zouden varen naar het Noordereiland. We moesten natuurlijk langs de wereld bekende gletsjers van Frans-Jozef en de Foxgletsjer. Maar deze liggen net aan de andere kant van Mount Cook. Dus "even" omrijden (250 km) om bij de kust te komen. Het bijzondere hier is dat hier de ijsmassa's tot beneden de boomgrens komen; vroeger zelfs tot in de zee. Alles is weer prima verzorgd, je parkeert je auto op een ruime parkeergelegenheid, een uurtje lopen over een mooi aangelegd pad en je bent onderdaan de gletsjer. Althans, voor zover dat veilig is. Met een gids mocht je de gletsjer op. Je kon ook met een helikopter naar boven en zelfs afgezet worden op het ijs. "Heli-skieen", zelfs "heli-fishing" niets is hier gek genoeg. De vliegtuigen en helikopters zoeven steeds boven je hoofd. Mee lopend tussen de vele japannertjes en australiers vol behangen met foto en filmapparatuur voelden we ons hier toch niet helemaal op onze plek.

Doorrijden dus naar Nelson. We hebben nog een nachtje aan het Queen Charlotte track geslapen. Ook zo'n bekende wandelroute. Wel uniek mooi over een bergkam met links en recht het water dat rechtstreeks in verbinding staat met de zee. Mooie eilanden en, baaien en strandjes. En toch niet druk zoals je bij ons zou verwachten. We vonden een mooi DOC kampeerterreintje in zo'n baai. "Overnachten 5 dollar per persoon" zoals altijd. Maar er stond ook een bord dat overnachten niet was toegestaan. Een beetje verwarrend. Wij besloten dat we het verbodsbord niet hadden gezien. Tentje opzetten, potje koken en genieten van het uitzicht dus. Toen werd duidelijk waarom je er eigenlijk niet mocht kamperen; we zaten hier eigenlijk aan zee, toen we kwamen was het laagtij, bij hoogtij zou het water wel eens over dit strandje heen kunnen komen. Maar geen nood Rinse als ervaren dijkwachter schatte de risico's niet al te groot. 's Nachts een paar keer wacht lopen en als het nodig is kunnen we altijd nog oppakken. Dat was niet nodig, alles bleef droog. Een van onze mooiste kampeerplekjes van de tocht.

 


Queen Charlotte Track

 

Nieuw-Zeeland: oversteek naar het Noordereiland

 


Noordereiland
8 Auckland
9 Cormandel
10 Wai-o-tapu Park
11 Tongariro Nationaal Park
12 Wellington

 

Als echte autotoerist kwamen we de volgende dag bij de ferry. Oversteken van het Zuidereiland naar het Noordereiland gaat hier allemaal heel gemakkelijk. Auto parkeren, sleutel inleveren en aan boord. We hadden wel even pech want we kwamen om 9.50 uur aan maar mochten niet mee met de boot van 10.00 uur want de was " vol"! (een boot even groot als de boot naar Engeland), dus wachten tot 13.00 uur. Aan de andere kant krijg je weer een sleuteltje en staat je nieuwe auto klaar. We waren net helemaal gewend aan een klein Daihatsu autootje en nu kregen we een luxe Opel, sport model met automaat! Volgens mij spiksplinternieuw. En dan nog meteen de grote stad uit! Het kosten nog nog wel even wat moeite. Meteen volop in de drukte van Wellington, en dan nog veel files en wegwerkzaamheden. "Het lijkt hier Nederland wel!"

 


Tongariro National Park: Mt. Ngauruhoe en de rode krater

 

Maar ook nu nog was het steeds prachtig weer. Dus zo snel mogelijk naar het Tongariro National Park. Een enorme vulkaan Mt. Ruapehu zie je al van ver. Daar achter nog meer kraters en bergen. Wij wilden de "Northern Circuit" wandeling lopen; 3 1/2 dag lopen en overnachten in de tent bij de hutten. Dat kon, er was plaats genoeg. Wel werden we gewaarschuwd voor de drukte op het eerste traject. Van de Mangatepopo hut naar de Ketetahi hut is namelijk het traject van de wereld beroemde "Tongariro Crossing" een dag wandeling dwars door het vulkanische gebied heen. En deze waarschuwing was terecht, met busladingen liepen ze dit deel van de route af. Meestal gehaast en gestresst; er werd kennelijk een wedstrijd van gemaakt wie deze wandeling het snelst liep. Wij gingen niet zo hard. Bovendien kom je halverwege bij de Mt. Ngauruhoe, een jonge krater waar je helemaal naar boven kan tot op de kraterrand; 2287 m. Dat zag er uitdagend uit. Geen pad eigenlijk, alleen maar tegen het vulkanisch gruis op naar boven zien te komen over zo'n 800 m. hoogteverschil. Maar het is echt de moeite waard. Toen we bovenop kwamen kon je ineens in het gat van de krater kijken, geen meer, wel echte ruige rotsen, net alsof er pas nog een eruptie was geweest. We zijn over de krater rand gelopen naar de andere kant. Daar werd het nog spannender want met het opwarmen van de dag begon het hier te stomen, er kwam hete lucht tussen de rotsen uit opstijgen en door het verdampen van grondwater ook stoom! Echt veel zwavellucht was hier niet, maar wel geweest dat zag je aan de gele aanslag overal.

 

 


Grensovergang Roemenië - Bulgarije

Na veel omwegen bereikten we de volgende dag de grenspost bij Giurgiu aan de Donau. Bulgarije ligt aan de andere kant van de Donau en er is hier een brug, dit is de voornaamste grens overgang van Roemenië naar Bulgarije. Wij verwachtten dan ook wel een flinke brug. Maar dat viel nogal tegen; een tweebaansweg, en dan nog behoorlijk smal ook. Daar moeten dagelijks al die kolossen van vrachtwagens met opleggers overheen. Het asfalt was er in ieder geval niet tegen bestand dat konden we wel zien aan alle sporen in het wegdek.

 

Bulgarije

Eindelijk in Bulgarije. We hadden lang genoeg langs de Donau gefietst, nu weer de heuvels in. En meteen in een natuurpark; Rusenski Lom genaamd. Een berggebied waar de gelijknamige rivier met zijn zijrivieren de Beli (Witte), Malki (Kleine) and Cherni (Zwarte) Lom prachtige kloven hebben uitgesleten.


Natuurpark Rusensli Lom


Natuurpark Rusenski Lom

We zijn doorgefietst naar Popovo. En dan krijg je weer zo iets mafs. Er waren maar liefst 3 hotelletjes in deze plaats. Nou we gaan vooruit zou je dan zeggen. Maar bij het eerste hotelletje kwam de eigenaar al meteen naar buiten. "Vol", zei hij. "Geen plaats, ga maar ergens anders heen." Wij op naar het volgende adres. "Vol", was het antwoord meteen. "Ga maar naar het volgende adres." Maar gelukkig hadden wij een oudere Bulgaarse man bij ons die ons de weg had gewezen. Hij maande de hotel eigenares om eens te bellen naar het andere hotel, of daar dan wel plaats was. Daar was ook geen plaats. De man nam het voor ons op."Je kunt die mensen niet zomaar weg sturen", zoiets begreep ik uit zijn gebaren. Het duurde nog even en toen; "Komt u maar mee", we hebben misschien wel wat." Een prima kamer, één van de vele lege kamers volgens mij want verder zag ik geen mens. De eigenares was plotseling ook vol belangstelling "Waar komen jullie vandaan", vroeg ze. "Oh. Holland, Amsterdam, I know", vertelde ze. Maar waarom dan eerst al die poppenkast vroegen we ons af?


De pas bij Stara Planina

Na Popovo moesten we de Stara Planina over. Deze bergketen, overigens ook een prachtig gebied om te wandelen, is een uitloper van de Karpaten. Wij hadden de minst hoge overgang gekozen, aangegeven als een slingerend weggetje op de kaart. Dat klopte behoorlijk en er ook een echte pas met haarspeld bochten en al. De pas bij het dorp Kothel lag op 700 m. Prachtig uitzicht.


"Wilde"paarden

Er waren hier nog wel wat paard er wagens maar veel minder dan in Roemenië. Hier liepen zelfs "wilde paarden" op de weg, al hoewel wild? Dat is iets dat ik ook niet snap. Roemenië en Bulgarije zijn al lid van de EU. Dat er nog hel wat moet gebeuren voordat deze landen aan onze standaard van sociale voorzieningen, van wegen enz. zijn aangepast begrijp ik. Maar zowel hier als in Roemenië laten ze de paarden zogenaamd loslopen. Dat wil zeggen niet opgesloten in een wei en ook niet aan een touw. Ze binden hier gewoon de twee voorbenen van het dier aan elkaar. Een heel klein beetje ruimte zorgt er voor dat ze nog net kunnen schuifelen om te grazen. Zo belandde hier zo’n prachtig paardje op de autoweg. Vluchten kan het niet, als er aan auto aankomt die niet stopt wordt het in een keer dood gereden. Dat kan toch niet. Afgrijselijke dieren mishandeling, maar toch ook stom, paarden zijn toch een kostbaar bezit in zo’n land.

Via Jambol zijn wij naar de grens Bulgarije – Turkije gereden. Een rustige weg door een vrij saai agrarisch gebied. Grote percelen land en weinig dorpen. Bij Svilengrad hebben we gevraagd waar wij met de fiets het beste de grens over konden gaan. Volgens de kaart zou je ook nog een stukje door Griekenland kunnen gaan, maar dat bleek in de praktijk te ingewikkeld. Maar gewoon de borden "Turky" volgen dus. Er was geen apart fietspad maar een combinatie snelweg (E 80) en gewone weg (8) tegelijk. We waren nog niet eens over de grens toen we ons eerste bord "Istanbul" tegenkwamen. "Nog zo’n klein stukje",zei ik.


Nog zo'n klein stukje

 

Turkije

De grens overgang was zich was geen probleem. We moesten wel eerst een visum kopen ( 10 euro) en er werd wel 6 keer naar de paspoorten gevraagd. Maar ze deden nergens moeilijk. Voor vrachtwagens is dat wel anders. Toen we Turkije inreden stond er een enorm lange rij vrachtwagens te wachten. Over een afstand van zeker 11 km. stonden ze stil. "Die chauffeurs moeten hier misschien wel dagen in de rij staan", zei ik. "Misschien vanwege de overgang naar een EU land", antwoordde Rinse.


Fruitkar in Edirne


Zijstraatje in Edirne

Onze eerste stad in Turkije was Edirne. Een leuke, vooral vrolijke stad na al dat Oostblok gebeuren. Hotels en eet gelegenheden genoeg. Moderne winkels en terrasjes, maar ook mensen met handkarren die fruit en groente verkochten. Een gezellig rommelig geheel. De Aziatische invloeden kon je hier zien, horen en ruiken!

De volgende dag was de zwaarste dag van onze hele tocht. Niet de bergen dus en niet in de voormalige Oostblok landen, maar van Edirne naar Pinarhistar. We hebben die dag maar 95 km. gereden, op zich niet veel dus, maar de weg was slopend. Bijna aan een stuk door kaars recht, eerst nog zonder heuvels maar daarna de ene heuvel na de andere. Een half uur klimmen en dan weer 10 minuten afdalen, vervolgens weer een half uur klimmen enz. Bovenop kon je zien dat de weg zo nog kilometers door ging. Erg ruw asfalt dat ook nog eens remmend werkt. Om je heen eindeloze velden met braak liggend terrein of afgemaaid maïs. Loei en loei heet er nergens een plekje schaduw.


Na Edirne een eindeloze rechte weg

Vanaf Pinarhistar zijn wij naar de Zwarte zee gereden. Het laatste stuk was vooral heel mooi. Je ziet dan in de verte de zee al en de weg blijft mooi op hoogte lopen. Hele grote stukken bos ook in deze streek, lekker zeker nu het zo heet is. Dat we al dichter bij de stad kwamen merkten we aan de "picknick alani’s", picknick plaatsen, meestal met een restaurantje erbij. We hebben onderweg een grote watermeloen gekocht. Bij zo’n picknick plek hebben we die in één keer opgegeten.


De Zwarte Zee

Op zondag 30 september, na 33 dagen fietsen bereikten we de zee bij Karaburun. Een gezellig vissersdorp, en buiten alle verwachtingen; een "camping". Althans dat stond op het bord. In de praktijk was het een veldje waar wat eenden en kippen rond liepen. Maar wij mochten er kamperen en er was een kraan en toilet. Eerst even lekker uitrusten en genieten van de Zee. Dan het dorp verkennen.


Karaburun


Karaburun


Karaburun


Karaburun

Van hieruit zijn we met de bus naar Istanbul gegaan. Een busritje van bijna 2 uur. Allereerst natuurlijk om de terug weg te regelen, en even naar huis bellen en verder om de stad te verkennen. De terug reis regelen bleek geen enkel probleem. We hebben een vlucht geboekt voor dezelfde week vrijdag. Zo hadden we nog even een paar dagen om hier wat rond te kijken en uit te rusten.


Aya Sofia moskee, Istanbul

Istanbul is een enorme stad met maar liefst 15 miljoen inwoners. Dat merkten we met de busreis al. Enorme buiten wijken met flats. En nog meer in aanbouw. Het centrum zelf; Eminönü, is vooral bekend om de grote moskeeën, maar ook de markten en natuurlijk het uitzicht over de Bosporus. Veel westerse toeristen natuurlijk, maar ook opvallen veel mensen uit het land zelf die naar de moskeeën komen om te bidden. Ook om een foto te maken: met de hele familie voor Sultan Ahmet moskee (ook wel Blauwe moskee genoemd vanwege de vele blauwe tegeltjes in de gevel ) of de Aya Sofia. Wij hebben vooral aan zee gezeten met uizicht op de Bospurus.


Istanbul


Istanbul

Toen kregen we het onzalige idee om te proberen met de fiets van Karaburun naar het vliegveld te gaan. We wilde immers eigenlijk het liefst alles echt fietsen tot in Istanbul toe. Op de kaart leek dat best te doen. Maar in de praktijk eigenlijk niet. De stad is zodanig uitgebreid dat we met de kaart niet veel konden beginnen. Wegen die daarop stonden waren er allang niet meer of niet meer te vinden in de warboel van nieuwe industrie terreinen en woonwijken. We hebben het na veel zoeken bij een tankstation gevraagd. Er is maar één mogelijkheid verzekerden ze ons. Over de drukke autoweg dwars door de stad. Dat bleek juist te zijn. Het was een snelwegachtige vierbaans weg, maar wel met brede pech strook, langs de kant fietsen ging dus wel. Er zou ook een camping zijn was ons verteld. Dat zal ook wel maar die konden wij ook nergens vinden.

Uiteindelijk zijn wij maar doorgereden naar het vliegveld. Hebben de fietsen in de parkeer garage gestald en zijn naar de stad terug gegaan met openbaar vervoer om een hotelletje op te zoeken. Op de dag van vertrek hoefden we nu alleen nog maar met openbaar vervoer terug naar het vliegveld en konden daar meteen de fietsen pakken. Dit ging eigenlijk allemaal prima. In Istanbul hadden we een groot stuk plastic gekocht. De fietsen hebben we voor het transport wat omgebouwd; trappers eraf en stuur omgedraaid. Plastik erom gebonden en zo naar de Douane. Bij de balie geen probleem, behalve dan dat we de banden leeg moesten laten lopen. Anders "ppffttt", legde de balie medewerker uit. Wij begrepen het, en ook al was het volgens ons niet nodig maar gehoorzaamden natuurlijk meteen.

Een beetje vreemd maar dit toestel (Onur air, een Turkse charter) ging eerst naar Ankara om nog meer mensen op te halen en dan pas naar Amsterdam. We kwamen om 20.35 uur in Amsterdam aan. Alle bagage opgehaald en de fietsen weer uitgepakt. Niets vermist, niets beschadigd. Nog een stukje treinen en we waren weer thuis. Een goede reis gehad, veel gezien, veel meegemaakt en vooral ook veel genoten van de vrijheid van het reizen op zo’n manier.

 

Rinse en Carla

 

Landen waar we door zijn gekomen:

  • Nederland
  • Duitsland
  • Oostenrijk
  • Italië
  • Slovenië
  • Kroatië
  • Servië
  • Hongarije
  • Roemenië
  • Bulgarije
  • Turkije