|
|
Te voet de Alpen over van Bodensee naar Milaan.
|
|
van 15 augustus 2006 tot 20 september 2006
tekst: Carla Simons
foto's: Carla Simons en Rinse Zijlstra
Links Rinse in Raetikon, rechts Carla in de Bergamasker Alpen
Voettocht van Noord naar Zuid door de Alpen. Een kampeertrektocht waarbij we ook gebruik gemaakt hebben van berghutten. Een afwisselende tocht door het hooggebergte op de Oosterijk/Zwitserse grens gebieden en de bergen van Noord Italie, met als hoogtepunten de Ortler en de Adamello.
De inloop route.
Na het oversteken van de Pyreneeën vorig jaar wilden we dit jaar de Alpen oversteken van Noord naar Zuid. Het idee was op de bergen af lopen, eroverheen om dan met een voldaan gevoel terug te kunnen kijken. Maar de Alpen bestaat uit meerdere bergketens met daartussen soms behoorlijk diepe dalen. Dus het beloofde een behoorlijke klim-daal tocht te worden. Rinse had nog kaarten van de Ortler, Adamello en de Silvretta daar wilden we in ieder geval heen.
Zo gingen we donderdag 15 september met de nachttrein op weg: tent mee, slaap- en kook spullen en eten. Als belangrijkste bagage: de kaarten (in totaal 14 stuks !) het kompas en de hoogtemeter. De reis voorliep goed en we kwamen de volgende morgen vroeg in Friedrichshafen aan. We konden meteen met de veerboot de Bodensee over naar Zwitserland. Vanaf Romanshorn zijn we begonnen met lopen. Maar helaas, mist en regen, we konden de bergen maar vaag zien. Maar de route vinden was geen probleem: naar het zuiden.
Eerst inlopen, goede paden en nog geen grote hoogte verschillen. De twee dag kwamen we bij de eerste echte berg de Säntis (2500 m.). Een leuk gebergte, niet groot maar wel behoorlijk steil met mooie rotswanden en natuurlijke meren. We hebben bij een meer gekampeerd. De volgende dag kwamen we bij de Zwinglipas Hütte (2011 m.), een leuk hutje met gezellige mensen. Daarna naar beneden, naar Liechtenstein.
We volgden de "Rheintal-Höhenweg", met uitzicht op het dal van de Rhein. Interessant, maar niet mooi, de rivier is helemaal gekanaliseerd en het dal vol industriële bebouwing. Vaduz (450 m.) de hoodstad van Liechtenstein viel mij ook tegen. We mochten er op de camping staan ook al was die officieel niet meer voor passanten, ze hadden er wel een zwembad waar we meteen gebruik van hebben gemaakt. 's Avonds nog even een wandeling door de stad. Het bekende kasteeltje op de berg is wel mooi maar de stad bestaat verder eigenlijk alleen maar uit grote bankgebouwen. (Wel mooie natuursteen gevels!).
|
|
St. Antonier Joch, Raetikon (Oostenrijk)
Het Rätikon gebergte
Daarna begon het echte werk; op naar het Rätikon gebergte. De hoofdkam loopt in west-oostelijke richting en er loopt een wandelroute aan beide zijden van de kam. Deze kam is tevens de grens tussen Zwitserland en Oostenrijk. We volgden de "Liechtensteiner Höhenweg" naar de Pfälser Hütte (2108 m.) Onderweg kregen we een flinke stortbui dus wilde even schuilen in een hotel, maar daar zijn we gauw van genezen, Zwitserland is duur, maar Liechtenstein is nog erger. Alleen een kopje warme chocolademelk dus. De Pfälser Hütte (2108 m.) was onze eerste hut, gezellig. We ontmoette er 2 Nederlanders; een stel; blond meisje met een neger. Een neger in de bergen? Dat is al iets bijzonders, je ziet nu eenmaal weinig kleurlingen in de bergen. Ze hebben twee dagen de zelfde route gelopen als wij en we kwamen ze dus meerdere malen tegen.
De volgende etappe was van de Pfälser Hütte naar de Totalphütte een mooie hoge route, prachtig uitzicht en goede paden. Bij de Kleine Furka (2246 m.) zijn we de kam overgestoken naar Zwitserland en bij het Gafaljoch (2239 m.) weer terug Oostenrijk in. Spannende oversteken met stukjes kabel maar nergens echt gevaarlijk. We waren al om drie uur bij de Totalphütte, en het was nog mooi weer, dus nog even de Schesaplana op (2965 m.) een flinke klim, maar zonder rugzak geen probleem. Rinse heeft ons geregistreerd in het "Gipfelbuch " dat bij het kruis bovenop de berg ligt.
Van de Totalphütte zijn wij naar de Garschina-Hütte gelopen. De overgang bij de Schweizertor (2139 m.) leek gemakkelijk op de kaart, maar er zat één steil stukje in waar we met de rugzak op niet goed door durfden. Een goede gelegenheid om ons touw te gebruiken. Dus rugzakken af en ik ging eerst naar beneden. Rinse liet de rugzakken één voor één aan het touw naar beneden glijden. Het duurde allemaal wel lang, maar dat liever dan benen breken of erger.
Bij de Garschina-Hütte hebben we niet geslapen, maar zijn doorgelopen naar de volgende bergkam. Halverwegen die kam, vonden we een mooie kampeerplek. Daarna op naar Gargellen want we waren hard aan bevoorraden toe. De laatste pas van de Rätikon was de St. Antonier Joch (2379 m.). Al die dagen in de bergen hadden we weinig mensen gezien, maar nu ineens liep het storm, met bosjes kwamen de wandelaars op de pas af. Wat was hier aan de hand? Even later ontdekte we het geheim. Je kon hier met een kabelbaan naar boven: van 1400 m. naar 2123 m. Voor de pas hoefde je dan nog maar 250 m. te klimmen! Geen stijl! Zo kan ik het ook!
In Gargellen (1400 m.) had ik pas echt het idee dat we in Oostenrijk waren; in het restaurantje waar we zaten te wachten tot de winkel open ging hadden ze "Kaizerschmarn" (een kruising tussen pannenkoek en omelet). Dat was een welkome afwisseling op "pasta-met-een-sausje" of "huttenvoer".
Voorbij Gargellen hebben we gekampeerd. Het was moeilijk om een kampeerplek te vinden, vooral ook omdat we graag bij water wilden staan en dit nogal schaars was (karst gebied, kalksteen waar water veelal meteen in de grond zakt). Bij een herdershut vonden we toch een plek, dus ben ik maar even gaan vragen of zij het goed vonden dat wij er kampeerden. Mag best, zeiden de, maar pas op: morgen is het slecht weer, je kunt vast niet verder, en er lopen hier koeien, die vreten zo je tent op! Dat zien we dan wel weer, was onze conclusie.
|
|
Het Silvretta gebergte
Het Silvretta gebergte lag voor ons, hoger dan de Rätikon en met gletsjers! Voor Rinse bekend terrein, maar ik vond het er spannend uit zien op de kaart. Dat was het ook. Bij de eerste pas Vergaldner Joch (2511 m.) waren wel wat lastige rotsblokken maar het was geen probleem. Bij de tweede pas, vlak onder de Platten Spizze (2744 m.), was nog een restje gletsjer. Het begon mistig te worden en de markering steeds schaarser. Ergens beneden ons was een rode stip op een steen. Is dat de route of is het een weg gerolde kei? Volgens de kaart moesten we hoog blijven. Het volgende stuk werd nog gladder en steiler. We liepen eigenlijk op puur ijs. Rinse wist met zijn stokken goed overeind te blijven. Ik had gelukkig de pikkel, en hard nodig ook! Twee keer gleed ik even weg, gelukkig was er een barstje iets lager, daar naar toe op handen en voeten, en toen verder lopen. Ik was blij toen we weer op de rotsen zaten. Even bijkomen. Maar de mist werd steeds dichter en vervolg markering was niet te zien. Er waren twee overgangen voor ons, welke moesten we hebben? Toen het even iets opklaarde zag ik duidelijk de rode stip op de laagste van de twee. Daar moeten we dus op af. Nog een klein stukje gletsjer, gelukkig minder steil, en we waren over. Als toegift nog wat kabel passages en toen stonden we ineens voor de Saarbrücker Hütte (2538 m.). Een gezellige kleine hut. 's Avonds kregen we het menu van de dag:(Bergsteiger essen); pasta met zuurkool! Na alle inspannende smaakte zelfs dit nog lekker.
De volgende morgen konden we pas goed zien waar we eigenlijk waren. Het was kraakhelder weer. De hut bleek onderaan een prachtige gletsjer te liggen. Er was nieuwe sneeuw gevallen en daardoor leek alles nog veel mooier. Dus volop foto's maken. We kozen nu voor de gemakkelijke route via het Madlener-Hause (2034 m.) naar de Jamtalhütte. Hiervoor moesten we wel de over de Getschner Scharte, maar dat was niet moeilijk.De Jamtalhütte was een teleurstelling: eigenlijk een hotel. Onpersoonlijk, super luxe en ongezellig. Er liepen mensen met grote koffers, ze lieten zich met bagage en al boven brengen in een jeep, of ze nog aan lopen toe kwamen weet ik niet . Het was waarschijnlijk alleen maar bier drinken en duur-doenenrij. Jammer van zo'n mooie locatie want je had er prachtig uitzicht.
Wij waren er de volgende dag vroeg weg. Op naar de Futschöl Pas (2898 m.). Dit werd een van de mooiste stukjes van de tocht. Vanaf de pas kon je een prachtige gletsjer zien.... op loopbare afstand. Dus rugzakken af en zelf over de rotsblokken een weg naar boven zoeken. Met een half uurtje hard werk stonden we aan de voet van een prachtige ijswand. Het zonlicht scheen in de gaten van de wand en kleurde ze helder licht blauw, het smeltwater liep langs ijspegels naar beneden. Je voelde de kou van het ijs. Prachtig om zo dichtbij te zijn! Naar beneden was het even zoeken, hoe zijn we ook al weer gekomen? Ik heb er nog wat rond gezocht voor stenen; hier was echt mooi diepte gesteente te vinden met granaatjes en serpentiniet. Helaas veel meenemen kan niet want alles moet in de rugzak. Dat was het einde van de Silvretta. Een prachtig en vooral spannend gebergte!
Litzner Gletsjer bij de Saarbruecker Huette in de Silvretta
|
|
Het Parco Nazionale Svizzero
We wilde nu naar de Ortler, maar om daar te komen moesten we eerst het dal van de Inn door en daarna het dal van de Adda. Daar tussenin ligt het Parco Nazionale Svizzero. Vanaf de Futschöl Pas eerst omlaag naar Ardez (1432 m.), een leuk dorpje aan de Inn met mooie oude huizen. Maar foerageren werd niets, het enige winkeltje dat er was was dicht. Dus er zat niets anders op dan de volgende dag naar Zernez lopen en daar op de camping te gaan staan. Een enorme tegenvaller. Een ongezellige camping op het industrie terrein. Een zogenaamde trekkers keuken bestaande uit een lekkende keet met kapotte butagas toestellen en nog geen eens een tafel of stoelen. Gelukkig konden we de volgende dag wel boodschappen doen.
We kamen nu bij een minder bekend natuurgebied het Parco Nazionale Svizzero, het ligt nog net in Zwitserland maar wel helemaal tegen de Italiaanse grens aan. De mensen hier spreken ook een vreemd taaltje; Retero-romaans, het lijkt op Italiaans op z'n Duits uitgesproken. Niet te verstaan. Er werd veel ophef gemaakt over het gebied met grote borden over "respectez la nature" en "no camping". Ik vond het niet zo bijzonder. We zagen er weinig wild en de paden waren behoorlijk afgetrapt. Bovendien hadden we daar onze koudste nacht van de hele tocht. Hopende op iets van beschutting hadden we de hele middag al door de regen gelopen langs een smal glad bergpad op weg naar een hutje dat op de kaart stond. Er was inderdaad een hutje op een alm op 2091 m. net onder de Munt la Schera. Maar het was op slot en er was geen enkele schuilgelegenheid. Rondom de hut stonden paaltjes waarbinnen je mocht lopen daar buiten was "natuurschuz gebied". Het weer werd steeds slechter dus meteen eten maken en vroeg de tent in. De volgende dag lag er sneeuw op de tent en het had flink gevroren. Vroeg op pad dus om warm te lopen. Op naar Italie want daar schijnt de zon toch?
|
|
Italie - de Ortler
En dat was ook zo. van nu af aan hadden we prachtig weer. Bij Passo Val Mora (1934 m.) gingen we de grens over en kwamen midden in een mountainbike parcours terecht. Heftige sport om met z'n fietsje over die smalle paadjes langs de afgronden te rijden.
Op woensdag 30 augustus waren we in Bórmio (1217 m.), halverwege onze route. Eerst naar het thuisfront bellen om te horen of alles nog goed was en onze vorderingen door te geven. Daarna natuurlijk weer de eten/drink voorraden aanvullen.
Op naar de Ortler. Dit is echt gletsjer gebied. We konden er dan ook niet echt in, dat wisten we al, maar misschien wel vlak langs. Eerst naar de Rifugio V Alpini op 2878 m. Een mooie hut, maar om de gletsjer te zien moest je nog even doorlopen. Dat was zeker de moeite waard; uitzicht op de Mont Zebru (3740 m.) en de Grand Zebru of wel Köningsspitze (3851 m.) met daarvoor een enorme massa sneeuw en ijs. Echte spleten en gaten, dit is het grotere werk! De volgende dag zijn we als het ware om deze grote pieken heen gelopen. We gingen we nog even over een pas van 3010 m. met prachtig uitzicht over de Forni gletsjer. Vanaf drie kanten komt het ijs hier bij elkaar om als één grote ijsmassa door te lopen het dal in. Er zou een bivakhutje op de pas zijn waar we wilden overnachten, maar dat was er niet meer, dus toen maar door naar de Rifugio L. E. Pizzini (2700 m.). Daar hebben we overnacht, een prima hut, aardige jongens en uitstekend eten. Verse groenten, dat hadden we lang niet gehad en ze kwamen zelfs vragen of we nog meer wilden (Ja, natuurlijk!). Vanuit deze hut zijn we de volgende dag zonder rugzak nog hoger geklommen, naar de Rifugio Casati op 3254 m. Het laatste stukje was nog best link, sneeuw en glad ijs op het pad! Maar we werden wederom rijkelijk beloond: De Monte Cevedale (3769 m.) met een enorme gletsjer ervoor en verder weg de Ortler zelf (3905 m.). Hier werd ook echt met touwen en stijgijzers lopen, er waren al wel 5 of 6 groepjes op weg naar boven toe wij aankwamen. Het zag er zo gemakkelijk uit, zo over een breed spoor naar boven lopen, wilde ik ook wel, maar zonder uitrusting hebben we het toch maar niet gedaan. We hadden het maximale voor ons bereikt, en dat alles zonder ongelukken of blessures.
Passo di Gavia in Italie
Dus terug om de rugzakken op te halen en afdalen. Omdat we nog voldoende voorraad hadden hoefden we niet helemaal het dal in maar konden via een hogere route naar de Passo di Gavia (2618m.) komen. Het laatste stuk liepen we echter wel dicht langs de weg. En dan merk je pas dat je de auto's en vooral motoren ontwent bent. Enorm storend dat geraas en gescheur, een onbegrijpelijke sport vinden wij. (Vinden zij van ons gesjouw met zo'n grote rugzak misschien ook wel.)
|
|
De Adamello
Pezzo was het eerste dorp dat we tegen kwamen, een mooi bergdorp, met een winkel en die was open. Eerst een grote fles limonade leeg drinken, daarna de rest van de boodschappen en plannen maken voor ons volgende onderdeel; de Adamello. De Adamello is een grappig gebergte. Het lijkt een beetje op een soepkom met een grote ijs massa er midden in. Langs de rand zitten de hoge bergen en je komt er moeilijk bij. De Rifugio Garibaldi kende Rinse nog van eerdere tochten, daar begonnen we nu mee. Van de 1133 m. dus weer naar boven tot 2553 m. . Geen mooie route; langs stuw meren die vooral veel leeg staan en een hoop kapotte gebouwen en lift toestellen. Bovendien vloog er steeds een helikopter over ons heen. Wat deed die er toch? Er kwamen ook steeds mensen van boven af lopen. Het zal toch zeker niet; ze zullen toch niet allemaal met de helikopter naar boven gebracht worden? Maar het leek er wel op.
Vanuit de Rifugio Garibaldi hebben we de volgende ochtend geprobeerd om bij het ijs te komen, maar dat lukte niet. Het laatste stukje was riskant klimwerk aan een onbetrouwbaar touw en met laddertjes die nauwelijks vast zaten. Dus onze route maar weer vervolgen op naar de Rifugio Tonnino over de Passo di Premassone (2847 m.). We volgde de "Sentiero Adamello " de hoofd wandel route. De route was goed onderhouden dat is zeker, mooie nieuwe kettingen waar de passages wat lastig waren en goede markering maar we waren gewaarschuwd dat het geen eenvoudige route was. De Adamello bestaat voornamelijk uit graniet en graniet-achtig gesteente. Dat valt bij verwering uiteen in grote brokken met scherpe randen. Een stukje klauteren hier tussendoor en overheen is niet erg, maar uren achter elkaar is zwaar werk. Met de grote rugzak ben je al snel uit evenwicht dus moet je niet te grote stappen nemen en zeker zijn van waar je je voet neerzet. Als een grote steen niet vast liggen zit je zo klem of kieper je om.
De Rifugio Tonnino (2450 m.) was ons leukste hutje, een Nepalese beheerder die de boel prima regelde en niets te veel was. Kleine eenvoudige eetruimte en één grote ruimte als slaapkamer. Wel volgepropt met stapelbedden: drie hoog (gelukkig niet allemaal vol)!
Van Rifugio Tonnino gingen we naar Rifugio Prudenzia. Hiervoor moesten we over de Passo del Miller op 2826 m., ook zo'n pas met veel blokken. Maar hierbij, moet ik nog even vermelden, zagen we de Monte Disgrazia en een hele reeks prachtige sneeuwbergen, de Bernina ver weg aan de overkant van het dal. We hadden hier op de kaart ook al naar zitten kijken, moet een prachtig berg gebied zijn. Vast wel iets voor een volgende tocht. Rifugio Prudenzia is een hut van niets. Grote aggregaat voor de ingang op het terras zodat je daar alvast niet rustig kan zitten. Slecht eten, te weinig en zelfs zonder toetje!
De volgende dag was voor ons de laatste Adamello-dag. Nog één pas; Passo di Pola (2803 m.) en die was niet moeilijk. Daarna het dal in om een goede kampeerplek te zoeken. Die vonden we, naast het oorlogskerkhof bij een oude energie centrale die al lang niet meer in gebruik was. In de tent slaapt het toch altijd beter dan in zo'n benauwde hut.
|
|
De Bergamasker Alpen
Nu zaten de echte hoge bergen er op. In Cedegolo zaten we weer op 413 m. hoogte. Weer een bel-dag en vers brood halen. We hoefden alleen nog maar de Bergamaster Alpen door. Gemakkelijker terrein dat was zeker maar of de paden wel zo goed zouden zijn? Het eerste pad dus niet. Wat wij op de kaart hadden uitgezocht lukte niet. Er was wel een oud pad in de richting die wij op wilden, maar dat liep niet door. Toen kwamen we op een goed gemarkeerde route terecht, maar dat ging de verkeerde kant uit. Een bivakhutje op de kaart bleek een lek schapen-hok te zijn. Al met al niet veel belovend. Uiteindelijk konden we niet anders dan over de weg verder. We hebben bijna een hele dag over asfalt gelopen, gelukkig wel een rustige weg en mooi uitzicht, maar toch niet waar we voor gekomen waren.
Bij Passo del Vivionne (1828 m.) konden we er pas weer van af. Toen zaten we meteen weer op een goede wandelroute, een prachtig pad, goed gemarkeerd en mooi uitzicht. Vooral een stuk dat precies over de kam van de berg ging was heel leuk, wel met kettingen maar heel mooi tussen de rotsen door met afwisselend uitzicht naar de noordkant en naar de zuidkant van de kam. Orobie noemde ze dit berggebied, gewoon leuk, niet zo hoog maar afwisselend en veel wild! We zagen zelfs 2 steenbokken heel dichtbij, ze hadden geen haast om weg te gaan en ik kon mooi foto's maken. We overnachten in Rifugio Curo (1862 m.), een drukke hut met veel kinderen ( het was zaterdag en een hut goed bereikbaar vanuit het dal).
De volgende dag moesten we kiezen: "Sentiero Alto" of "Sentiero Basso". De hoge of de lage route, de hoge route zou moeilijker zijn, maar de lage langer en meer door het bos. De hoge route dus. We werden onderweg nogmaals gewaarschuwd "you've got a long way to go"! Wij kijken wel, als het niet gaat, gaan we terug. Het ging wel. Op een bepaald moment stonden we onderaan een pas. Het vervolg van de route was nog zeker 300 m. hoger, en dwars tussen de rotsen door leek het wel. Eerst klimmen en klauteren, daarna stukjes met kabel en tenslotten nog een behoorlijke puin helling met los gruis. Vlak onder de Pizzo di Retorta gingen we over de 2712 m. heen. Behoorlijk heftig, dat wel, maar heel mooi. We waren om 6 uur bij de hut Rifugio Brunone (2285 m.), de enige gasten. Later kwamen een paar herders een enorme kudde schapen langs de hut leiden naar hun rustplek. Zij bleven ook in de hut, gezellig voor de huttenbaas want met ons kon hij toch niet veel praten, ons italiaans gaat niet veel verder dan "prego" en "pasta".
Sentiero Alto in de Bergamasker Alpen, op deze
foto is Carla aan het klauteren, op de voorgrond
Rinse die de foto maakt.
De volgende dag een gemakkelijker route. We kwamen een groep Belgen tegen die Nederlands praten. De eerste na de twee Nederlanders in de Silvretta. We hebben ze voor de zekerheid maar even voorbereid op de hoge route voorbij Rifugio Brunone. Met een groep van 12 of 14 man/vrouw zal dat zeker niet gemakkelijk zijn.
Toen waren we weer hard aan de bevoorrading toe. Afdalen naar Carona, een dorp op 1250 m. Op de picknick plaats in het dorp even pauzeren. We zaten net te genieten van een vers broodje toen de hele kleuterklas er aan kwam. Die drukte waren wij helemaal niet meer gewend! Het was kennelijk ook hun speelplein. Waar kwamen die kinderen toch allemaal vandaan? Een klein dorp en veel boerderijen kwamen we onderweg ook niet tegen, vast een vruchtbare gemeente!
Nieuwe energie op gedaan, dus nu konden we weer naar boven; 1000 m. klimmen, eerst behoorlijk steil, maar daarna langs wat stuw meren. Echt mooi was het niet maar wel een goed pad. Op de Passo del Gemelli 2139 m. hadden we prachtig uitzicht. Onderhand zouden we de bergen uit moeten kijken, we waren toch al bijna aan de andere kant van de Alpen? Maar dat was nog niet zo. Eerst nog Pizzo Arera en daarna Mont Alban. Pizzo Arera (2512 m.) is een mooie steile rotsberg We kampeerden aan de voet van de berg op een mooi weilandje, met picknick set en prachtig uitzicht over het dal. Over wandelpad konden we er de volgende dag vlak onder langs. Aan de zuidkant werd het minder fraai; Stomme skiliften met loodsen, machines en een volledig kapot gemaakte helling. Zou hier nu nog geskied kunnen worden ? Op 1500 m. hoogte zo ver zuidelijk in Europa? Waarschijnlijk niet veel want de meeste liften zagen er onbruikbaar uit.
We daalde af naar de Passo Zambla op 1270 m. om daarna naar onze laatste berg; Mont Alban (2019 m.) te klimmen. Er zou een bivakhutje zijn net onder de top. Maar helaas, dat zat op slot. Met veel moeite konden we nog net een plekje voor de tent vinden, vlak onder de rotsen. Het stonk wel een beetje naar schapenstront, maar dat ruik je niet meer als je slaapt.
|
|
Bergamo en ons extra uitje
Nu was het alleen nog maar afdalen. We hebben nog een heel stuk langs de weg gelopen. Het was er niet druk en je had meer uitzicht dan in het bos. Op donderdag 14 september waren wij om 's middags om 4 uur bij Selvino (960 m.), een groot dorp net boven het dal van de rivier de Serio. In het dal zag je de voorsteden van Bergamo al. Onze bedoeling was om de volgende dag naar de jeugdherberg in Bergamo te lopen. Maar nu begon het te regenen, en behoorlijk ook, nog even overleggen. Kamperen in de regen is niet leuk, een natte tent in de jeugdherberg nog minder. Het laatste loop-stuk zal ook niet erg spannend zijn. Dus dan maar meteen met de bus naar beneden.
We waren 's avonds om 7 uur in de jeugdherberg van Bergamo. Nog steeds slecht weer. De volgende dag konden we de terugreis regelen. Voor 75 euro per persoon konden we op woensdag 20 september terug met Ryan air. Daar kon de trein niet tegen op. We hadden dus nog een paar dagen over. Eerst op bezoek bij mijn dochter die in Desio (buitenwijk van Milaan) woont en natuurlijk even mijn tweede kleinkind bewonderen. Daarna hadden we nog net genoeg dagen over om toch nog naar één van de Italiaanse meren te gaan. Lago d' Iseo. In twee dagen liepen we er op ons gemakje heen. Als laatste kampeerplek hadden we een leegstand pand van de zendmasten tot onze beschikking. Op de veranda uitzicht over het hele meer en de bergen waar we vandaan kwamen. Zelfs de Adamello konden we zien. We hebben de slaapzakken uitgerold in de garage, hoefden we geen tent op te zetten. 's Nachts eruit om te plassen natuurlijk maar ook om naar de lichtjes te kijken. Onze Mont Cleo op 1106 m. was toch wel onze mooiste overnachtingsplek.
De volgende dag zijn we naar beneden gelopen en met de bus terug gegaan naar de jeugdherberg in Bergamo. Woensdag 20 september vertrokken we om 8. uur uit de jeugdherberg en 's middags om 4 uur waren we weer thuis. Genieten van de zachte bank, het bed, en alle luxe van een echt huis!
Carla Simons,
september 2006
|
|